Wat als je een buurt ontwerpt waarin natuur geen bijzaak is, maar de basis? Laura Klaassen, programmaleider duurzaamheid bij KAW, gaat erover in gesprek met Koen van Vuuren. Als ontwerper en kennisleider natuurinclusieve buurten ziet hij wat er verloren gaat als we blijven bouwen volgens de oude logica. Zijn vertrekpunt: geen groen als aankleding achteraf, maar als fundament dat voortbouwt op wat er al is.
Koen, je bent vijf jaar werkzaam bij KAW en sinds kort kennisleider natuurinclusieve buurten. Ik val direct met de deur in huis, want wat zijn natuurinclusieve buurten eigenlijk?
In ons vakgebied werd het lang gezien als wonen in de natuur. Huizen bouwen in een groene omgeving, iets voor grotere woningen aan de stadsrand. Wij draaien dat om en brengen natuur de buurt ín. Dus ook in dichtbebouwde wijken, ook voor mensen in sociale huur. Groen moet voor iedereen toegankelijk zijn.
Oké, laten we hier eens wat dieper op ingaan. Want bij natuurinclusiviteit denken veel van ons al snel aan sedumdaken en nestkastjes. Maar ik neem aan dat het verder gaat dan dat. Welke thema's vallen er eigenlijk allemaal onder?
In de kern draait het om biodiversiteit, dat is het fundament. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat de natuurlijke rijkdom in Nederland de afgelopen decennia sterk is afgenomen. De MSA (Mean Species Abundance) ligt nog maar rond de vijftien procent van wat mogelijk is. We zijn dus zo’n 85 procent kwijtgeraakt. Dat lijkt abstract, maar de impact is heel concreet: minder insecten, soorten die verdwijnen of worden verdrongen en natuur die steeds minder veerkrachtig is. Juist die veerkracht hebben we nodig in onze steden, want zonder sterke natuur werken oplossingen voor klimaatadaptatie simpelweg minder goed. Denk aan straten die sneller onderlopen bij een bui of steden die verder opwarmen tijdens hitte. Klimaatadaptatie is dan ook niet voor niets een thema dat steeds hoger op de agenda staat bij corporaties en gemeenten. Maar de basis ligt bij biodiversiteit, want zonder die onderlaag blijven het losse ingrepen.
Het gaat in de kern om biodiversiteit. Dat is het fundament.Koen van Vuuren

Die opwarming van steden is iets waar we het steeds vaker over hebben. Op hittekaarten zie je hoe groot het verschil kan zijn tussen stad en buitengebied. Hoe groot is dat probleem precies, en wat heeft dat te maken met hoe we groen inzetten?
Steden zijn door het vele asfalt, de gebouwen en stenen drie à vier graden warmer dan het omliggende landschap: het zogeheten hitte-eilandeffect. Daarom zie je bomen zoals platanen en andere niet-inheemse soorten, die bewust zijn geplant omdat ze beter tegen de warme omstandigheden kunnen. Tegelijkertijd zijn de meest biodiverse bomen vaak de inheemse: een zomereik ondersteunt meer dan 400 insectensoorten, een Amerikaanse eik maar vijftien. Je moet dus een balans zoeken. In een verharde straat waar je één boom kwijt kunt, kies je voor een robuuste soort die overleeft - ook als die niet inheems is. Gaat het om grotere groenstructuren, dan zet je juist in op inheems of een mix zodat de natuur de kans krijgt zich te herstellen en versterken.
Er is een hardnekkig beeld dat ik graag wil doorprikken. Ik kom regelmatig wijken tegen die er groen uitzien, maar waar het de vraag is of ze ook echt zo biodivers zijn. Wat noemen we tegenwoordig natuurinclusief, terwijl het dat misschien helemaal niet is?
Neem sommige stadsparken. Je ziet bomen en gras, het voelt groen. Maar wie inzoomt, ziet dat er weinig variatie is. Er is nauwelijks een struiklaag, het terrein is vlak en het wordt vaak gemaaid. Voor veel planten en dieren is het daardoor geen aantrekkelijke plek, meestal komen er maar een paar soorten op af. Dat is een gemiste kans, want met wat meer hoogteverschil en variatie in - bij voorkeur inheemse - beplanting, zou zo’n park veel levendiger en biodiverser kunnen zijn.
Met dit in het achterhoofd zijn jullie een jaar of drie geleden echt anders gaan werken op dit thema. Hoe ziet die aanpak er in de praktijk uit, en wat maakt het anders dan voorheen?
We brengen nu vroeg een ecoloog aan boord om mee te denken in het plan. Die kijkt naar wat er al is, welke dieren aanwezig zijn en bijvoorbeeld naar de kwaliteit van de grond. In Rotterdam Centrum zit veel puin in de bodem, dat vraagt om heel andere planten dan in een veengebied. Die kennis moet je op tijd hebben. Een goed voorbeeld is een recent project in Vlaardingen. Hier signaleerde de ecoloog samen met de landschapsarchitect een natte zone met beplanting van zeventig jaar oud en hebben we de hele wijkvernieuwing daaromheen gebouwd: bestrating eruit, slimme parkeeroplossingen en schaduw op de juiste plekken.
Een nieuwe toekomst voor MUWI I
Samen met bewoners, Waterweg Wonen en de gemeente hebben we een stedenbouwkundig plan ontwikkeld met minimale sloop, veel nieuwe woningen en een betere leefomgeving. Met meer variatie en ruimte voor natuur en water.
Dat legt een terugkerend principe in de KAW-aanpak bloot: eerst kijken naar wat er al is en daarop voortbouwen. Hoe pakken jullie dit concreet aan?
Wij werken met de pijlers behouden, versterken en ontharden. Het begint met een grondige inventarisatie: welke flora en fauna verdienen behoud, welke kansen biedt de ondergrond en spelen er problemen zoals hittestress of wateroverlast? Daarna bepalen we wat we kunnen versterken, bijvoorbeeld bestaande natuur, gezonde grond en extra voorzieningen zoals wadi’s en natuurvriendelijke oevers, zodat het gebied veerkrachtiger en sterker wordt. Tegelijkertijd proberen we zoveel mogelijk te ontharden door tegels en asfalt te verwijderen, waardoor water beter wordt opgenomen en langzaam afgegeven. Zo benut je de bestaande kwaliteiten en maak je het gebied direct toekomstbestendig.
We praten nu veel over biodiversiteit en klimaat, maar het levert bewoners ook wat op. Toch?
Verkoeling is de meest directe winst. De stad wordt warmer en steeds meer mensen schaffen een airco aan, terwijl je hitte ook op andere manieren kan aanpakken. Neem de oude boerderijen langs de dijk, daar staan altijd leilinden voor de gevel. Waarom? Omdat ze zorgen voor schaduw, verkoeling en privacy. Een principe dat we zijn kwijtgeraakt toen technische oplossingen de norm werden. Nu planten we weer bewust bomen voor zuidgevels en laten klimplanten groeien. Daarnaast is er een gezondheidseffect dat mensen onderschatten. Groen nodigt uit om naar buiten te gaan, waardoor mensen meer bewegen en sneller sociale contacten leggen. Plus: hoe groener de omgeving is waarin je opgroeit, hoe meer je de natuur waardeert als je volwassen bent. Nu investeren in groen betekent ook meer draagvlak creëren voor dit principe.
Voordelen in overvloed dus. Toch is er natuurlijk altijd de vraag die corporaties en gemeenten stellen: wat kost dit? Ik hoor vaak de aanname dat natuurinclusief werken automatisch duurder is. Klopt dat?
Nee, dat klopt niet per se. Het gaat vooral om slim plannen en op voorhand goede afspraken maken. Een ecoloog die vroeg aanschuift kost geld, maar voorkomt verkeerde keuzes later in het proces. Daarnaast vragen sommige groene maatregelen - zoals een natuurinclusieve oever of extra bomen en struiken - misschien wat onderhoud, maar ze leveren ook duidelijke voordelen op. Denk aan minder installaties, verkoeling in de zomer, betere waterafvoer en een prettige, leefbare omgeving. Het vraagt vooral goede afstemming tussen de partijen, zodat het groen er niet alleen komt, maar ook blijvend functioneert.
Groen stimuleert mensen om naar buiten te gaan, en wie buiten is beweegt meer en heeft meer sociale contacten.
Laten we even vooruitkijken. Want uiteindelijk is dit een keuze die we als sector bewust maken, of juist niet. Wat gebeurt er als we blijven bouwen zonder aandacht voor natuurinclusiviteit?
Dan wordt de stad steeds warmer en minder biodivers. Kwetsbare groepen hebben last van hoge temperaturen, straten lopen bij elke bui onder, en het gebrek aan natuur vermindert de veerkracht van ons stedelijk systeem. Grote problemen, maar de oplossingen zijn vaak binnen handbereik. Denk aan simpele ingrepen die de biodiversiteit versterken: waterdoorlatende bestrating, bomen op strategische plekken voor schaduw, of hagen in plaats van hoge schuttingen om dieren en planten meer ruimte te geven. De vraag is niet of het háálbaar is, maar of we het prioriteren.
Tot slot: waar wil KAW naartoe met dit thema en wat moet er veranderen om dat voor elkaar te krijgen?
We hebben het manifest voor Netto Natuurwinst ondertekend: meer natuur terugbrengen dan er bij aanvang van een wijk of project was, bij voorkeur op dezelfde plek. Dat is de ambitie. Tegelijkertijd zetten we ons actief in om steden en buurten te vergroenen, zodat groen er echt voor iedereen is. Dat je er doorheen wandelt, buiten bent, en dat je de oorspronkelijke natuur zomaar weer tegenkomt. Als vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven, niet als extraatje. Klinkt idealistisch, maar de bouwstenen zijn er al. We moeten ze alleen gebruiken.
Natuurinclusief ontwerpen
Natuur is onderdeel van hoe wij buurten ontwerpen. Zo maken we ruimte voor biodiversiteit en bouwen we aan betere ecologische oplossingen. Natuurinclusief ontwerpen vraagt om een andere blik. We koppelen het aan gezondheid, leefbaarheid en veiligheid. We sluiten aan op wat er al is. Op bestaande groenstructuren, natte zones en informele routes. Van daaruit versterken we verbindingen en geven we natuur de ruimte. Bekijk hoe deze uitgangspunten zijn toegepast.
Wil je meer weten? Neem contact op met Koen van Vuuren
Of laat een bericht achter
- Functie
- Ontwerper | Specialist duurzaamheid
- Contact
-
+ 31 6 22 19 87 60
k.v.vuuren@kaw.nl


